Componiste Mélanie Bonis

Van kleins af aan speelde ze in haar eentje op de oude piano van haar ouders. Het lag in de lijn der verwachting dat ze naaister zou worden. Ze ontsnapte aan die toekomst dankzij Jacques Maury, een vriend van haar ouders, die docent kornet was aan het Conservatoire de Paris. Hij stelde haar voor aan César Franck, wiens interesse ze wekte. Hij liet haar in 1876 toe tot de klas harmonieleer en pianobegeleiding. Ze werd ook toehoorder bij de orgelklas van Franck. In 1877 kreeg ze een eervolle vermelding bij harmonieleer en pianobegeleiding. Daarna studeerde ze bij Auguste Bazille, waar ze klasgenoot was van Claude Debussy. Ze behaalde in 1879 een tweede prijs voor begeleiding en in 1880 een eerste prijs voor harmonieleer. In januari 1881 schreef haar leraar Auguste Bazille: "De beste van de klas, maar de angst verlamt haar". Ernest Guiraud bevestigde dit in zijn nieuwjaarswens voor 1880: "Laat u uw twee eerste twee prijzen hebben, net zo mooi als iedereen".

In 1879 ontmoette ze Amédée Louis Hettich (1856-1937), zangstudent uit de klas van Jean-Jacques Masset. Hij werd de enige echte liefde van Bonis' leven. Haar eerste compositie was een Impromptu voor piano. Ze ondertekende met "Mel Bonis", haar artiestennaam, want ze wilde niet als vrouw herkend worden. Daarna schreef ze twee liederen samen met Hettich op twee van zijn gedichten: Villanelle en Sur la Plage. Hij vroeg haar hand, maar haar familie was tegen het huwelijk en ze moest het conservatorium verlaten.

Haar ouders organiseerden een verstandshuwelijk: op 25-jarige leeftijd huwde ze Albert Domange, een rijke ondernemer in de leerindustrie (het huis Scellos, vanaf 1883 Domange & Co.). Hij was 47 jaar en tweemaal weduwnaar met vijf kinderen. Ze gingen wonen in een herenhuis in de buurt van het Parc Monceau en brachten feestdagen en weekends door in zijn huis in Sarcelles of zijn Villa in Étretat. Uit het huwelijk werden drie kinderen geboren: Pierre, Jeanne en Edouard.

In de jaren 1890 kreeg Bonis opnieuw contact met Amédée Hettich, inmiddels zangdocent aan het Conservatoire, journalist bij  L'Art musical en dichter. Ze werkten samen aan haar liedcyclus Les airs classiques, die zij componeerde op zijn teksten. Hij hielp haar binnen te komen bij de Parijse uitgevers. Ze kregen een dochter Madeleine (1899), van wie het bestaan geheim bleef. Ze werd geteisterd door twijfel en schuldgevoel tot aan haar dood.

Bonis ging meer componeren in de jaren na 1900. Ze was lid van de Société nationale de musique van 1899 tot 1911 en was secretaris vanaf 1910 - de eerste keer voor een vrouw. Ze raakte bevriend met andere vrouwelijke componisten in Parijs, onder wie Charlotte Sohy en de zusters Nadia en Lili Boulanger. 

Na de dood van haar man op 31 maart 1918 nam ze haar 'geheime' dochter Madeleine op in de vakantievilla in Étretat, zogenaamd als oorlogsvluchteling. Madeleine was op 29 maart 1918 ontsnapt aan de bom uit een Duitse "Dikke Bertha" op de Église Saint-Gervais, waarbij 88 doden en 60 gewonden vielen. Na terugkeer uit de oorlog werd Bonis' jongste zooEdouard verliefd op Madeleine. Hij wilde met haar trouwen en Bonis had daarom geen andere keuze dan hem de waarheid te vertellen. Edouard stierf in 1932 in Caïro op 36-jarige leeftijd, vier jonge kinderen achterlatend. Ze componeerde Cantique de Jean Racine ter nagedachtenis van haar verloren zoon. Bonis richtte zich daarna op kerkmuziek.