Josquin des Prez

Dit jaar is zijn 500e sterfjaar. 

Josquin (afgeleid van het Vlaamse "Josken") genoot faam als zanger, componist en pedagoog. Kenmerkend voor zijn muziek zijn de grote doorzichtigheid en de hechte structuur waarbij de muziek nauw aansluit bij de tekst. In het chanson was hij in het midden van de 15e eeuw de belangrijkste exponent van een nieuwe stijl, waarin de technieken van de canon en het contrapunt werden toegepast op wereldlijke liederen.

 

Hij werd geboren tussen 1450 en 1453[1], niet in 1440 zoals lang werd gedacht ten gevolge van een persoonsverwarring met de zanger Josquin de Kessalia (1440-1498) die in de jaren 1470 verbonden was aan de kathedraal van Milaan.

Over de jeugd van Josquin is zo goed als niets bekend. Hij moet op jonge leeftijd koorzanger of misdienaar zijn geweest in de kathedraal van Kamerijk. Voor het eerst staat zijn naam geregistreerd in de periode 1475-1478 als zanger aan het hof van hertog René I van Anjou te Aix-en-Provence. Vermoedelijk is hij er tot de dood van de vorst in 1480 werkzaam geweest.

In het begin van de jaren 1480 komt zijn naam verschillende keren voor in rekeningboeken te Milaan alwaar hij werkzaam was voor leden van het vorstenhuis Sforza. Zo behoorde Josquin in 1484 tot de huishouding van de invloedrijke kardinaal Ascanio Maria Sforza. Het is in deze periode dat Leonardo da Vinci, die eveneens aan hof van de Sforza's werkzaam was, een portret maakte dat vermoedelijk Josquin voorstelt en dat thans in de Pinacoteca Ambrosiana in Milaan bewaard wordt. In 1483 reisde Josquin tussentijds naar Condé in Henegouwen af om daar aanspraak te maken op zijn erfdeel van de kant van zijn vermoedelijk kinderloos gebleven oom Gilles Lebloitte dit Desprez. Als eerbewijs aan Josquin stelde het kapittel van de Notre-Dame hem toen vier 'los' wijn beschikbaar.

In het gevolg van kardinaal Ascanio Sforza reisde Josquin naar Rome waar hij van 1489 tot minstens begin 1495 lid is geweest van de pauselijke hofkapel: eerst onder paus Innocentius VIII, vervolgens onder paus Alexander VI. Tijdens restauratiewerkzaamheden in de Sixtijnse kapel dook in 1997 in de zangersgalerij een oude graffito op met de naam 'Josquin'.[2]

Uit een anekdote uit 1547 van de Zwitserse muziektheoreticus Heinrich Glareanus valt op te maken dat Josquin ten tijde van de regering van koning Lodewijk XII van Frankrijk in Parijs werkte, als zanger aan de Sainte-Chapelle. Tijdens onderhandelingen in de Franse hoofdstad tussen de koning en de Italiaanse hertog Ercole d'Este moet laatstgenoemde hem het aanbod hebben gedaan om aan zijn hof in Ferrara te komen werken, wat in 1503 gebeurde. Josquin werd er kapelmeester.

Door de pest in 1504 verliet Josquin Ferrara en vestigde hij zich in Condé. Op instigatie van de Bourgondische hertog Philips de Schone werd hij benoemd tot kanunnik van de Notre-Dame, waar hij als proost de leiding had over een organisatie met een decaan, een schatmeester, 25 kanunniken, 8 kapelaans, 6 vicarissen en 6 koorknapen. Van hieruit onderhield hij nauwe contacten met het hof van Margaretha van Oostenrijk in Mechelen die landvoogdes van de Nederlanden was namens haar neef keizer Karel V.

Over Josquins levensavond zijn vrijwel geen gegevens bewaard gebleven. Bij testament liet hij zijn huis en landerijen aan de kerk na. 

Maak een Gratis Website met JouwWeb