Met ons ensemble richten we  ons  met name op het klassieke repertoire dat tussen 1650 en 1750 is gecomponeerd.

De Barokke en Renaissance periode geven ons voldoende materiaal om een gevarieerd programma te spelen. Voor de blokfluit zijn in deze periodes vele composities geschreven.

Vivaldi en Telemann zijn meer dan bekend, maar daarnaast zijn er nog velen die hun bijdrage daaraan leverden. Enkele voorbeelden hiervan zijn Pachelbel, Purcell , Lully, Buxtehude, Händel, Willaert, Orlando di Lasso en Josquin des Pré.

Ook het meer moderne werk gaan we niet uit de weg, bijvoorbeeld die van  Arvo Pärt en Karel van Steenhoven.

In verband met ons Rembrandtproject "' n Muzikale Verbeelding" spelen we o.a. muziek  uit de Gouden Eeuw zoals Dowland, Schein, Weelkes en Sweelinck.

Rembrandt van Rijn kennen we door wat hij zag. Door zijn ogen kijken we de Gouden Eeuw in. Maar hoe dicht kunnen we bij zijn oren komen? Alleen op vroege schilderijen van Rembrandt is enige muzikale activiteit te zien. Dat is niet verwonderlijk, want muziek was in de Gouden Eeuw hoofdzakelijk iets voor de huiskamer en de kroeg: onderwerpen die schilders als Jan Steen, Frans Hals en Jan Mientse Molenaar meer aan het hart lagen. Maar dat wil niet zeggen dat Rembrandt geen muziek heeft gehoord. We kunnen er gerust uitgaan dat hij ervan genoten heeft.
Liederen van collega’s, leerlingen, vrienden en buurtgenoten van Rembrandt. En uit zijn eigen boekenkast…
Welke klanken streelden zijn oren? Welke melodietjes neuriede hij tijdens het schilderen? Welke liedteksten werden er in zijn omgeving geschreven? Welke liedjes kende hij misschien van buiten? Onze vraag is kortom: welke muziek speelde een rol in het leven van Rembrandt?

Muziek was niet zo alom tegenwoordig als tegenwoordig, maar ze maakte des te meer indruk. Het carillon van de Zuiderkerk drong luid en duidelijk door tot in het atelier. De Oude Kerk, het domein van Dirk Janz Sweelinck (zoon van), lag op loopafstand van de Jodenbreestraat. Rembrandt bezocht veelvuldig de schouwburg, waar muziek altijd onderdeel van de voorstelling was. En schilderkunst en liedkunst lagen dichter bij elkaar dan men op het eerste gezicht zou vermoeden. Schilders schreven ook gedichten, liedschrijvers werden geportretteerd en het toneelbedrijf werd vastgelegd in prenten.